Parochie Heilige Oda Sint-Oedenrode

Locatie Martinuskerk (centrum) - Het Smitsorgel

Inhoud

Welkom

CD's en opnames
op internet

Achtergrond
informatie

Stichting Smitsorgel

Vriendenkring

Bibliografie

Andere orgels in
Sint-Oedenrode

Links


Concerten 2013

Alle concerten


Terug

Achtergrond Informatie

Historie

BeeldhouwwerkIn 1838 ontving de orgelmaker Franciscus Cornelius Smits (1800-1876) uit Reek de opdracht voor de bouw van een nieuw orgel voor de parohiekerk van St.-Oedenrode. De kast van het instrument werd vervaardigd door de timmerman G. Engels, terwijl de Antwerpse beeldhouwer J.B. Peeters de ornamentiek verzorgde. De gedetailleerde rekening van de beeldhouwer bleef bewaard en laat bijvoorbeeld zien wat in die tijd twee 'groote kindekens', twee 'vliegende engelen' en het beeld van St.-Cecilia kostten. Ofschoon het instrument reeds in 1839 werd opgeleverd is de rekening van de beeldhouwer pas in 1840 opgemaakt; mogelijk was het snijwerk pas toen geheel voltooid.

BeeldhouwwerkIn 1905 voerde Frans Smits (II) herstelwerkzaamheden uit. Bij deze gelegenheid werden de handklavieren vervangen evenals de gehele Viola di Gamba 8 van het Onderpositief. Dit register, en een aantal andere pijpen, was sterk aangetast door grauwtinvorming. In 1913 werd het orgel door de orgelmakers Smits gedemonteerd in verband met de afbraak van het oude kerkgebouw. Nog voordat de huidige kerk op 12 juli 1915 werd ingewijd werd het orgel door hen gerestaureerd en herplaatst. Het orgel kreeg bij die gelegenheid een plaats op een galerij tussen koor en transept van de kerk, met het front naar het schip gericht. Vermoedelijk zijn toen de drie oorspronkelijke spaanbalgen vervangen door een magazijnbalg. In 1939 vernieuwde de firma Gebr. Vermeulen het pedaalklavier. Ten gevolge van een granaatinslag werden in 1944 enkele bekers van de Trompet 8 vernield. Om deze schade te herstellen voerde de firma Gebr. Vermeulen in 1946 een restauratie uit. Bij die gelegenheid verhuisde het orgel naar de achterwand van het schip en konden de in 1915 verwijderde 'wangen' van de kast worden herplaatst. In 1955 voerden de orgelmakers Vermeulen opnieuw herstelwerkzaamheden uit. Daarbij werd de niet originele Voix Célèste 8 van het Onderpositief, die vermoedelijk tussen 1915 en 1939 was geplaatst, vervangen door een Kromhoorn 8. Tevens verving men de magazijnbalg door een drietal regulateurs.

Restauratie

BeeldhouwwerkNa een lange periode van voorbereiding werd in 1997 een principeopdracht voor de restauratie verstrekt aan de firma Gebr. Vermeulen. Nadat deze firma door de firma Flentrop was overgenomen werd bepaald dat de restauratie van het orgel zou worden uitgevoerd in de werkplaatsen van Flentrop Orgelbouw onder verantwoordelijkheid van Frans Vermeulen. Als adviseurs waren J.G.P.G. Boogaarts en Ton van Eck (namens de KKOR) betrokken. De orgelkast is zorgvuldig hersteld evenals de frontpijpen. Tevens is een vrij Pedaal toegevoegd dat op twee afzonderlijke laden achter de zijvelden van het front is geplaatst. De regulateurs zijn vervangen door drie spaanbalgen en de gehele kanalisatie is gereconstrueerd. De bestaande mechanieken zijn hersteld; de nieuwe mechanieken voor het Pedaal zijn geheel in Smits-factuur uitgevoerd. De niet originele klavieren en registeropschriften zijn vernieuwd naar voorbeeld van Smits (I). De windladen zijn gerestaureerd en de oorspronkelijke toonhoogte, die in de loop der jaren was verhoogd, is hersteld. Tenslotte werden de niet originele registers Viola di Gamba 8 en Kromhoorn 8 van het Onderpositief in Smits-factuur vernieuwd. De nieuwe pedaalregisters zijn gemaakt naar de mensuren van het Van Deventer/Smits-orgel in de St.-Luciakerk te Ravestein (1738/1834/1864).

Dispositie

 

Hoofdwerk (Manuaal II, C-f3):

  • Bourdon 16 (C-h hout)
  • Praestant 8 (C-e1 in het front)
  • Bourdon 8 (C-Fis hout)
  • Praestant 4 (C-Fis 1905, overige pijpen oud)
  • Roerfluit B/D 4 (C-Fis 1905, overige pijpen oud)
  • Nazard D 3
  • Octaaf 2
  • Mixtuur II
  • Trompet B/D 8

Onderpositief (Manuaal I, C-f3):

  • Holpijp 8 (C-H hout, vervolg metaal)
  • Viola di Gamba 8 (nieuw)
  • Praestant 4 (C-h in het front)
  • Fluit 4 (C-f2 gedekt, vervolg open)
  • Gemshoorn 2
  • Sifflet 1
  • Basson B/D 8 (nieuw)

Pedaal (C-d1):

  • Subbas 16 (hout, nieuw)
  • Praestant 8 (C-Dis hout, E-cis front, vervolg op de lade; nieuw met gebruikmaking halve mantels oude frontpijpen)
  • Fluit 8 (nieuw)
  • Octaaf 4 (nieuw)
  • Bazuin 16 (doorslaand, nieuw).

Manuaalkoppel, Pedaalkoppel, Ventil.
Winddruk: 72 mm wk.
Toonhoogte: a1 = 415 Hz.
Temperatuur: evenredig zwevend.

Koororgel Martinuskerk

KoororgelVerschueren anno 1959 , in 1971 overgeplaatst uit Damianenklooster Sint-Oedenrode, 1986 herintonatie door Frans Vermeulen Weert , electrische tractuur , 6-6-5 , unitorgel met 3-4 basisregisters , geen koppels. Toonhoogte a=440’, stemming gelijkzwevend.
I = ondermanuaal: prestant 8'- roerfluit 8'- octaaf 4'- fluit 4'- kwint 2 2/3'- octaaf 2'
II= bovenmanuaal: bourdon 8'- prestant 4'- fluit 4'- nachthoorn 2' – larigot 1 1/3'- sesquialter II
Pedaal : subbas 16'- octaafbas 8 '- ged.bas 8 '- prest.bas 4'- kwint 2 2/3'
Bronnen: * W.Heesters & Dr.C.S.M.Rademaker – Geschiedenis van Sint-Oedenrode – Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg 1972 (blz. 299 korte vermelding) . (met dank aan J.Vagevuur).

(A.Wenstedt 04-12-2003)

Het orgel, een veelzijdig muziekinstrument

Het orgel is in ons land voornamelijk bekend als kerkmuziekinstrument. Hierbij staat de begeleiding van koor- of gemeentezang voorop. Daarnaast kennen wij in Nederland ook een rijke concertpraktijk, waarin het orgel tot klinken wordt gebracht in orgelwerken uit de literatuur. Om dit veelzijdige muziekinstrument beter te leren kennen, hieronder iets meer over het orgel en zijn ‘binnenwerk’.

Een grote doedelzak

Wat wij zien van een orgel is de orgelkas met daarin de orgelpijpen die zichtbaar in het front staan. Maar het orgel bestaat uit meer delen die wij – doorgaans - niet te zien krijgen. Eigenlijk is het orgel een soort grote doedelzak. De lucht wordt in een zak ‘bewaard’ en de pijpen worden door de bespeler tot klinken gebracht. Maar de organist kan nooit met zijn handen al die pijpen apart ‘bedienen’. Daartoe is het orgel heel slim ontworpen.

De werking kort uitgelegd

Het orgel heeft wel honderden, soms duizenden pijpen. En het heeft dus ‘longen’ om de benodigde lucht (de ‘orgelwind’) te bewaren. Daarnaast heeft het een of meerdere windlades. Een windlade is een soort kist waarop alle pijpen staan. En vanaf de speeltafel (de klavieren) kan de organist het orgel bespelen door het indrukken van de toetsen.

De orgelpijpen

Een orgelpijp kun je vergelijken met een blokfluit. Alleen heeft hij geen gaatjes, en er kan dus maar één toonhoogte uit een pijp klinken. In het front van het orgel zien wij metalen pijpen (gemaakt van een tin/lood-legering) in allerlei lengtes. Hoe groter de pijp, hoe lager hij klinkt. Hoe kleiner de pijp, hoe hoger hij klinkt. In een ‘gemiddeld’ orgel is de grootste pijp ruim 2½ meter lang. In hele grote orgels staan zelfs pijpen van meer dan 10 meter! De kleinste orgelpijpen meten slechts enkele decimeters en zijn heel smal. Door de pijp op de juiste lengte te brengen – dat noemt men ‘stemmen’ – komt de goede toonhoogte uit de pijp.

Allerlei soorten pijpen: registers

In het orgel tref je diverse vormen van orgelpijpen: smalle, brede, van boven open en van boven gedekte pijpen. Allemaal ‘families’ of registers. Orgelpijpen kunnen behalve van metaal ook van hout gemaakt worden. Tevens kunnen er naast pijpsoorten die vergelijkbaar zijn met de blokfluit (labialen), ook pijpsoorten voorkomen die vergelijkbaar zijn met de klarinet of de hobo (tongwerken). Deze klinken meer ‘snaterig’ of trompet-achtig.
Van links naar rechts: Prestant (metaal), Holpijp (hout), Trompet (tongwerk, metaal)

De ‘longen’, de windvoorziening

Om de pijpen te kunnen laten klinken heeft een orgel een windvoorziening nodig: één of meer balgen zorgen ervoor dat er wind van constante druk voorhanden is. De balgen krijgen hun wind vanuit een ventilator (in een geluiddichte kist geplaatst, anders hoor je deze elektrische motor). Vroeger werd de wind ‘getrapt’ door ‘orgeltrappers’. Grote trapinstallaties (of soms handslingers) bedienden schepbalgen, van waaruit de wind werd doorgevoerd. Via houten windkanalen wordt de wind naar de windlade gevoerd.

De windlade

Alle pijpenfamilies, de registers, staan keurig netjes op volgorde op een windlade. Boven ieder kanaal (cancel) in de windlade staan alle pijpen van de verschillende registers, die met één toets overeenkomen. Wanneer een toets wordt ingedrukt, zal een ventiel in de windlade worden geopend, waardoor de wind in het cancel stroomt. Iedere pijpenrij (een register) kan speelklaar worden gemaakt door de betreffende registerknop uit te trekken. Dan gaat een ‘registersleep’ open. Hierdoor krijgt de wind de mogelijkheid vanuit de cancel door te stromen naar de bovenstaande pijp. Wanneer dus een register is geopend, zal de betreffende pijp van dit register, corresponderend met de ingedrukte toets, wind krijgen vanuit de cancel, en daardoor tot klinken worden gebracht. Zijn er meerdere registers geopend, dan zullen meerdere pijpen die corresponderen met de ingedrukte toets, gaan klinken

Het orgel in een dwarsdoorsnede vereenvoudigd weergegeven.

Door het indrukken van de toets (onderaan) gaat een ventiel open, waardoor wind in het cancel in de windlade stroomt . Als een register geopend is wordt de daar bovenstaande pijp tot klinken gebracht.

Bronnen:
Boek 'Het Smitsorgel van de Sint Martinuskerk een rijksmonument in Sint-Oedenrode', 2001.
Vouwblad VNPO, Septeber 2003. Geschreven door Wim van der Ros.

(C) 2013 Parochie Heilige Oda Sint-Oedenrode
De webmaster noch enig ander individu of instantie kan aansprakelijk worden gesteld voor schade geleden als gevolg van eventueel onjuiste informatie vermeld op deze website.
Deze website kan het beste worden bekeken met een resolutie van 800x600 of meer.
Deze website wordt gehost door Stichting KerkProvider

Voor het laatst bijgewerkt op: 10.04.2006